1) | wijze |
|
Hebreeuws, de wijze der vrouwen; dat is, zo wie onder de vrouwen wijs is. Vergelijk Gen. 47:3; Job 12:7, en onder Spreuk. 14:9.
|
|
2) | bouwt |
|
Te weten, door hare kinderen godvruchtig op te brengen, hare dienstboden wijselijk te regeren, en den gansen staat des huisgezins in goede orde te houden. Alzo is het woord bouwen genomen, onder Spreuk. 24:3.
|
|
3) | die zeer dwaas is, |
|
Hebreeuws, de dwaasheid; dat is, zeer dwaas, alsof hij zeide: die de dwaasheid zelve is. Zie Job 35:13.
|
|
4) | haar handen. |
|
Dat is, met haar doen en laten. Alzo wordt de vergelding der handen genoemd hetgeen iemand voor zijn doen en laten vergolden wordt; Jes. 3:11.
|
|
5) | in zijn oprechtheid |
|
Vergelijk boven de aantekening Spreuk. 2:7, over de woorden oprechtelijke wandelen.
|
|
6) | afwijkt |
|
Te weten, van den rechten weg. Alzo boven Spreuk. 2:15; zie de aantekening.
|
|
7) | in zijn wegen, |
|
Dat is, in zijn eigen voornemen, doen en laten. Zie Gen. 6:12.
|
|
8) | Hem. |
|
Te weten, den Heere.
|
|
9) | roede |
|
Dat is, een hovaardige en trotse roede of stok, waarmede hij eensdeels anderen slaat als hij hen stoutelijk lastert, eensdeels zichzelven als hij, in zijn leugenspreken achterhaald zijnde, gelijk als met een wederslag geraakt wordt.
|
|
10) | bewaren hen. |
|
Te weten, door hun beleefde, voorzichtige en redelijke redenen, dat zij in het kwaad en onheil van den dwaas niet vallen.
|
|
11) | ossen zijn, |
|
Alzo is het Hebreeuwse woord genomen, Deut. 7:13, en Deut. 28:4,18,51; Ps. 8:8. Versta dit van de ossen, waarmede men het akkerwerk deed; Deut. 22:10, en Deut. 25:4.
|
|
12) | rein; |
|
Dat is, ledig van voeder voor de beesten en vervolgens van akkervruchten tot voeding der mensen. Alzo is gebrek van brood of leeftocht genaamd reinheid, dat is ledigheid der tanden, Amos 4:6. Vergelijk boven Spreuk. 12:11, en onder Spreuk. 28:19.
|
|
13) | waarachtig |
|
Hebreeuws, een getuige der waarheid; alzo onder Spreuk. 14:25, en in het volgende. Hebreeuws, een getuige der valsheid.
|
|
14) | blaast |
|
Alzo boven Spreuk. 6:19, en onder Spreuk. 14:25.
|
|
15) | gene; |
|
Te weten, voorhanden, of te vinden, overmits de spotter die niet zoekt zoals hij behoort en waar zij te vinden is.
|
|
16) | licht. |
|
Te weten, om te vinden, dewijl hij die zoekt, waar en zoals het behoort.
|
|
17) | lippen |
|
Dat is, die verstandige en deugdelijke redenen voortbrengen; en dienvolgens is hij ook niet verstandig en deugdzaam van hart; want de mond spreekt uit den overvloed des harten; Matth. 12:34, vergelijk boven Spreuk. 12:19.
|
|
18) | zijn weg |
|
Dat is, wat hij voornemen, doen of laten moet.
|
|
19) | bedriegerij. |
|
Te weten omdat zij, niet lettende op hetgeen wel of kwalijk gedaan wordt, anderen mensen schadelijk zijn en zelf bedrogen uitkomen.
|
|
20) | de schuld |
|
Versta de zonde, waarin hij zich of de zijnen bevindt schuldig te wezen.
|
|
21) | verbloemen; |
|
Dat is, met schone woorden en schijnbare redenen verschonen, bemantelen en ontschuldigen, opdat ze meer deugd dan misdaad gelijke. Anders: zal de zonde bespotten, dat is een spotwerk daarvan maken, uit hetwelk een ieder zijn tijdverdrijf neme en geen zwarigheid verwekke.
|
|
22) | goedwilligheid. |
|
Te weten, waardoor de een den ander niet beschadigt, noch met woorden, noch met werken; of zo iemand zich vergrepen heeft, dat bekent en vriendelijk afmaakt, zulks dat zij zodanige verbloemde verschoning onder elkander, als zij misdaan hebben, niet behoeven.
|
|
23) | zijn eigen |
|
Hebreeuws, zijne ziel. Vergelijk 1 Kon. 19:4.
|
|
24) | bittere droefheid; |
|
Hebreeuws, bitterheid; dat is bittere droefheid en treurigheid; zie 2 Kon. 4:27.
|
|
25) | deszelfs |
|
Te weten, die in eens anders hart verborgen is. Want een ieder alleen weet de droefheid en blijdschap, die in zijn hart is; 1 Cor. 2:11; Openb. 2:17.
|
|
26) | huis |
|
Dat is, de woning, staat, rijkdom en nakomelingen. Zie boven Spreuk. 12:7.
|
|
27) | tent |
|
Dat is, hun geringe woning. Zie 2 Kon. 13:5.
|
|
28) | weg, |
|
Dat is, een manier van doen of van leven. Zie boven Spreuk. 6:6; alzo in het volgende lid van Spreuk. 14:12.
|
|
29) | iemand |
|
Hebreeuws, voor het aangezicht des mans; dat is, in zijn ogen en oordeel; alzo onder Spreuk. 16:25. Vergelijk Pred. 2:26, en Pred. 7:26.
|
|
30) | het laatste |
|
Of, het achterste, het einde. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 37:37.
|
|
31) | wegen |
|
Dat is, wijzen van doen, die ter dood leiden, of den dood en het verderf veroorzaken; vergelijk Jer. 21:8.
|
|
32) | in het lachen |
|
Dat is, als de mens uitwendige tekenen van vreugde vertoont.
|
|
33) | smart hebben; |
|
Te weten, inwendige, die bedekt is met het uiterlijk gelaat der blijdschap.
|
|
34) | het laatste |
|
Versta dit en het voorgaande van hetgeen dikwijls gebeurt, maar niet altijd.
|
|
35) | van die blijdschap |
|
Te weten, van het lachen.
|
|
36) | Die afkerig |
|
Dat is, die in zijn hart afgeweken is van God, of van zijne geboden en paden. Alzo Ps. 44:19.
|
|
37) | van zijn wegen |
|
Dat is, van zijn doen en laten, strijden tegen Gods wet. Zie Gen. 6:12.
|
|
38) | verzadigd |
|
Dat is, naar zijne verdienste met rechtvaardige straffen door God opgevoed worden. Zie Job 7:4.
|
|
39) | van zichzelven. |
|
Te weten, zal verzadigd en voldaan worden, dat is, zal zijne genoegzaamheid hebben, te weten in het loon, waarmede God uit genade zijne vroomheid vergelden zal. Anders: maar een goed man [is afkerig], of [wijk] van hem; te weten, die afkerig van hart is, waarmede hij ook straffen deszelven ontgaat. Anders: van de zijne; te weten, wegen.
|
|
40) | woord; |
|
Of ding; te weten, hoedanig zou hetzelve mogen wezen, te weten: waar of vals, hem eerlijk of oneerlijk, voordelig of schadelijk.
|
|
41) | merkt op |
|
Dat is, wacht zichzelven dat hij in zijn doen en laten door lichtgelovigheid op allemans zeggen niet aangaat.
|
|
42) | is oplopende |
|
Te weten tegen degenen, die hem waarschuwen en van Godswege dreigen, zichzelven wijsmakende dat hij geen nood heeft.
|
|
43) | haastig |
|
Hebreeuws, kort van toornigheden; dat is, haast toornig, korthoofdig, korzel, die onder Spreuk. 14:29 wordt genoemd kort van geest.
|
|
44) | van schandelijke |
|
Het Hebreeuwse woord, van hetwelk te zien is Job 21:27, is hiet in het kwade genomen, gelijk boven Spreuk. 12:2. Anderen nemen het in het goede, voor bedachtzaamheid, gelijk boven Spreuk. 1:4, en vertalen deze plaats aldus: en een man der bedachtzaamheden; dat is die alles rijpelijk verzint, zichzelven brekende en intomende, wordt gehaat, te weten van de kwaden.
|
|
45) | erven |
|
Dat is, genieten de schadelijke vrucht daarvan, welken meer en meer in dwaasheid vervallen en alzo Gods ongenade vermeerderen en schande behalen bij de mensen, met het verderf der ziel en des lichaams.
|
|
46) | met wetenschap |
|
Of, met wetenschap gekroond worden; dat is, in wetenschap toenemen en zo uitsteken dat zij daarmede als met een kroon zullen versierd en vereerd wezen.
|
|
47) | vriend |
|
Het Hebreeuwse woord betekent wel ieder mens, met wien wij te doen hebben en dien wij onzen naaste noemen, gelijk Gen. 11:3; Exod. 21:14; Lev. 19:18, en hier in Spreuk. 14:21 enz.; maar hier wordt het genomen voor een vriend, metgezel of goede bekende, gelijk 2 Sam. 16:17; Job 16:20; Spreuk. 19:6; Micha 7:5, enz.
|
|
48) | Die zijn naaste |
|
Anders: een zondaar veracht zijnen naaste.
|
|
49) | veracht, |
|
Te weten, om zijne armoede, tegenspoed, ellende, nederheid, of iets dergelijks, zoals uit de tegenstelling kan afgenomen worden.
|
|
50) | der nederigen |
|
Of, zachtmoedigen. Versta, degenen, die bij hunne ellende zachtzinnig, manierlijk en nederig zijnde, niet lichtelijk tot toorn uitbreken, en daarom haast verdrukt kunnen worden. Zie Ps. 10:17.
|
|
51) | Dwalen |
|
Deze manier van vragen verzekert krachtiglijk hetgeen gezegd wordt.
|
|
52) | zij niet, |
|
Te weten, niet alleen van het oogmerk, dat zij zich voorstellen, maar inzonderheid van hun eigen welvaren, zulks dat zij in het verderf geraken.
|
|
53) | die kwaad |
|
Dat is, smeden, verzinnen en praktizeren, om dat tot huns naasten schade aan te leggen. Zie van het Hebreeuwse woord boven Spreuk. 3:29.
|
|
54) | weldadigheid |
|
Te weten zowel van de vrome mensen als van God zelf, die volgens zijne beloften, getrouwelijk den goeden goeddoet.
|
|
55) | In allen |
|
Te weten, die men wel en eerlijk doet, naar zijne beroeping.
|
|
56) | overschot; |
|
Dat is, gewin, voordeel en verovering.
|
|
57) | woord |
|
Versta, alle ijdele en lichtvaardige redenen, die nergens toe nut hebben dan om den kostelijken tijd met grote schade te verliezen; van welke te zien is boven Spreuk. 10:19. Vergelijk 2kon. 18:20.
|
|
58) | kroon |
|
Dat is, sieraad, die hen bij de mensen aanzienlijk maakt. Zie boven Spreuk. 12:4.
|
|
59) | rijkdom; |
|
Te weten, omdat zij dien wel gebruiken, daarmede dankbaar zijnde jegens God, weldadig jegens hunnen naaste en matig omtrent zichzelven.
|
|
60) | der zotten |
|
Te weten, die rijk zijn.
|
|
61) | is dwaasheid. |
|
Dat is, blijft, dient hun niet tot eer en aangenaamheid bij de mensen, maar tot schande en verachting, gelijk de dwaasheid bij allen schandelijk en verachtelijk is, en al wat zij hebben baat hun niet, maar strekt hun tot enkel dwaasheid.
|
|
62) | waarachtig |
|
Hebreeuws, getuige der waarheid. Alzo boven Spreuk. 14:5.
|
|
63) | redt |
|
Dat is, bevrijdt en verlost van den dood.
|
|
64) | de zielen; |
|
Dat is, de mensen, die men door lasteringen en valse beschuldigingen om hals zoekt te brengen.
|
|
65) | leugens |
|
Alzo boven Spreuk. 14:5, en Spreuk. 6:19; zie de aantekening. Versta hier leugens, en waardoor iemand ter dood bezwaard wordt.
|
|
66) | een bedrieger. |
|
Hebreeuws, bedrog; alzo boven Spreuk. 12:24 en Spreuk. 13:6; zonde voor zondaar. Anders: maar een bedrieger blaast leugens uit.
|
|
67) | sterk |
|
Hebreeuws, vertrouwen der sterkte; dat is een sterk vertrouwen; namelijk voor degenen, die den Heere vrezen. Alzo Ps. 71:7.
|
|
68) | Zijn kinderen |
|
Versta, Gods kinderen, of de kinderen dergenen, die Hem vrezen en zich op Hem verlaten, dien Hij om hunnentwil gunstig is.
|
|
69) | een springader |
|
Dat is, als een springader, uit welken het leven voortvloeit. Vergelijk boven Spreuk. 10:11, en de aantekening.
|
|
70) | strikken |
|
Zie boven Spreuk. 13:14.
|
|
71) | eens vorsten |
|
Anders: de verstoring, of het verderf, of de verbreking eens prinsdoms of ener heerschappij.
|
|
72) | lankmoedige |
|
Hebreeuws, lang van toornigheden; dat is, niet haastig tot gramschap; zie Exod. 34:6.
|
|
73) | is groot |
|
Dat is, heeft veel verstand, hetwelk hij bewijst doordat hij het ongelijk hem aangedaan, of het kwaad, dat hij ziet geschieden, met geduld opnemende, zich wachten kan iets te doen, dat tegen eer en vroomheid strijden zou.
|
|
74) | haastig is |
|
Hebreeuws, kort van geest; dat is, haastig tot toorn; zie boven Spreuk. 14:17, en vergelijk Pred. 7:9.
|
|
75) | verheft |
|
Dat is, steekt haar gelijk omhoog en brengt haar voor den dag om van allen gezien te worden, dewijl hij door zijne toornigheid dingen aanricht, die met de eer en deugd niet bestaan kunnen.
|
|
76) | gezond |
|
Hebreeuws, een hart der gezondheid. Versta, een hart of gemoed, dat zuiver is van alle kwade gedachten, driften en bewegingen tegen zijnen naaste, en voornamelijk van den nijd, waarvan hier eigenlijk gesproken wordt.
|
|
77) | het leven |
|
Dat is de gezondheid en het welvaren van het lichaam. Alzo leven voor genezen en gezond worden, of welvaren naar het lichaam; 2 Kon. 8:8. Zie aldaar de aantekening.
|
|
78) | des vleses; |
|
Het Hebreeuwse woord staat in het getal van velen, om te kennen te geven dat een gezond hart niet alleen zijn eigen lichaam goeddoet, maar ook de lichamen van anderen.
|
|
79) | der beenderen. |
|
Dat is, der allerinwendigste leden en krachten des lichaams, en dienvolgens ook des geestes. Zie Job 7:15. Vergelijk boven Spreuk. 12:4, en de aantekening. Idem onder Spreuk. 17:22, en de aantekening.
|
|
80) | verdrukt, |
|
Te weten, door bedrog, of geweld. Vergelijk onder Spreuk. 22:16, en de aantekening Ezech. 18:18.
|
|
81) | deszelfs |
|
Zie Job 4:17.
|
|
82) | kwaad; |
|
Versta, het kwaad der straf; dat is, in zijn ongeluk, ellende en tegenspoed. Anders: om zijner kwaadheid of boosheid wil; verstaande dit van het kwaad der schuld.
|
|
83) | betrouwt |
|
Te weten, op God.
|
|
84) | in zijn dood. |
|
Dat is, niet alleen in allerlei tegenspoed van dit leven, maar ook in den dood, die hem natuurlijk overkomt of geweldiglijk aangedaan wordt. Zie Job 13:15.
|
|
85) | rust |
|
Te weten, daarin opgesloten als in een kabinet, om die ter bekwamer tijd en plaats voort te brengen.
|
|
86) | is, |
|
Te weten, de dwaasheid, die in hun hart is, of de wijsheid, die zij onverstandig en ontijdig uitwerpen. Anders: maar in het midden der zotten wordt zij bekend; te weten, wanneer zij overtuigd worden door de vromen in hunne conscientiën, of wanneer het onderscheid gemerkt wordt, dat er is tussen de zotten en de wijzen.
|
|
87) | verhoogt |
|
Te weten, dat het gezegend zij van God en vermaard onder de mensen.
|
|
88) | is een schandvlek |
|
Dat is, maakt de volken te schande. Zie deze betekenis van het Hebreeuwse woord chesed Lev. 20:17.
|
|
89) | knecht; |
|
Zie Gen. 20:8.
|
|
90) | die beschaamd |
|
Te weten, zijn koning en zichzelven. Vergelijk boven Spreuk. 10:5.
|
|