1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25


1Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten1) riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer2) gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten3) te nemen.
2En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik4) met olie.
3Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig5) te hebben.
4Kom dan in, en sluit6) de deur voor u7) en voor uw zonen toe; daarna giet in8) al die vaten, en zet weg, dat vol is.
5Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in.
6En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil.9)
7Toen kwam zij, en gaf het den man Gods10) te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige.11)
8Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem12) doortrok, dat aldaar een grote vrouw13) was, dewelke hem aanhield om brood14) te eten. Voorts geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.
9En zij zeide tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man Gods heilig is,15) die bij ons altoos doortrekt.
10Laat ons toch een kleine opperkamer16) van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.
11En het geschiedde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neder.
12Toen zeide hij tot zijn jongen17) Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht.18)
13(Want hij had hem gezegd:19) Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid;20) wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon21) in het midden mijns volks.
14Toen had hij gezegd:22) Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud.
15Daarom had hij gezegd:23) Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.24))
16En hij zeide: Op dezen25) gezetten tijd, omtrent26) dezen tijd des levens zult gij een zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, mijn heer, gij, man Gods, lieg27) tegen uw dienstmaagd niet.
17En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op dien gezette tijd, omtrent den tijd des levens, dien Elisa tot haar gesproken had.
18Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers.
19En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd,28) mijn hoofd! Hij dan zeide29) tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder.
20En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieen tot aan den middag toe; toen stierf hij.
21En zij ging op, en legde hem30) op het bed van den man Gods; daarna sloot zij voor hem31) toe,32) en ging uit.
22En zij riep om haar man, en zeide:33) Zend mij toch een van de jongens, en een van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods lope, en wederkomen.
23En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan,34) noch sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn.35)
24Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haar jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op36) voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge.
25Alzo toog zij heen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel.37) En het geschiedde, als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen zeide: Zie, daar is de Sunamietische.
26Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u?38) Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.
27Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij39) zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten.40) Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar41) bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
28En zij zeide: Heb ik een zoon42) van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?43)
29En hij zeide tot Gehazi: Gord uw lenden,44) en neem mijn staf in uw hand, en ga henen; zo gij iemand vindt, groet hem niet;45) en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf46) op het aangezicht van den jongen.
30Doch de moeder van den jongen zeide: Zo waarachtig47) als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet48) verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na.
31Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde den staf op het aangezicht van den jongen; doch er was geen stem,49) noch opmerking.50) Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt.51)
32En toen Elisa in het huis kwam,52) ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.53)
33Zo ging hij in,54) en sloot de deur voor hen beiden toe,55) en bad tot den HEERE.
34En hij klom op,56) en legde zich57) neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm.
35Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens derwaarts, en klom weder op,58) en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.
36En hij riep Gehazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op.
37Zo kwam zij, en viel59) voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit.
38Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten.
39Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok,60) en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten,61) en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet.62)
40Daarna schepten63) zij voor de mannen64) op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood65) is in den pot! En zij konden66) het niet eten.
41Maar hij zeide: Brengt dan meel;67) en hij wierp het in den pot; en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads68) in den pot.
42En er kwam een man van Baal-Salisa,69) en bracht den man Gods broden der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen;70) en hij zeide: Geef aan het volk,71) dat zij eten.
43Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik72) dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden.
44Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des HEEREN.