1) | Twist, |
|
Of, pleit, recht, dat is, neem Gij mijne zaak op U, en voer mijn recht uit tegen mijne wederpartijders, betonende metterdaad dat het niet mijne, maar uw eigen zaak is; zie onder Ps. 43:1, en Ps. 74:22, en Ps. 119:154; Jes. 49:24; Jer. 50:34, en Jer. 51:36, enz.
|
|
2) | breng |
|
Of, vel, trek uit, breng uit.
|
|
3) | sluit |
|
Hebr. Segor. Hetwelk sommigen menen te wezen de naam van een krijgswapen.
|
|
4) | mijnen |
|
Dat is, kom mijnen vervolgers voor, ga hen tegemoet en sluit hun den pas.
|
| No Link found
|
|
5) | zeg |
|
Betuig dit door uw Heiligen Geest in mij. Verg. Rom. 8:16.
|
|
6) | heil. |
|
Of, verlossing, behoudenis; dat is, uw verlosser, behouder.
|
|
7) | ziel |
|
Dat is, naar mijn leven staan. Zie 2 Sam. 4:8.
|
|
8) | die |
|
Hebr. die mijn kwaad [dat is ellende, verdrukking, ondergang] denken, voorhebben.
|
|
9) | duister |
|
Hebr. duisternis en slibberigheden; dat zij niet kunnen voortkomen om mij te achterhalen. Verg. Jer. 23:12.
|
|
10) | zonder oorzaak de |
|
Hebr. tevergeefs, om niet; dat is, zonder reden. Alzo in het volgende, en onder Ps. 35:19, en elders. Zie Job 2:3.
|
|
11) | hun net |
|
Dat is, waarin zij hun net gelegd hebben; ene gelijkenis van vogelvangers en jagers genomen. De zin is, zij hebben mijn leven lagen gelegd, boze en listige aanslagen tegen mij uitgedacht, die dikwijls bij netten worden vergeleken. Zie boven, Ps. 9:16, en Ps. 10:9, en Ps. 25:15, en Ps. 31:5, en Ps. 141:10, enz.
|
|
12) | gegraven |
|
Te weten, een kuil, uit Ps. 7:16.
|
|
13) | fverwoesting |
|
Het Hebr. woord betekent ene verwoesting, die met geraas, gedruis, rumoer en grote onstuimigheid overkomt.
|
| No Link found
|
|
14) | hem |
|
Mijnen vervolger.
|
|
15) | dat hij |
|
Dat is onvoorziens, waar hij het gans niet meent of verwacht.
|
|
16) | met |
|
Dat is alzo, dat hij voorts verwoest en vernield worde. Anders, als er verwoesting is, hij valle daarin.
|
|
17) | Al |
|
Dat is, ik zal uit al mijne binnenste kracht, of met al het vermogen mijns lichaams, U roemen. Verg. Ps. 51:10.
|
|
18) | Wrevelige |
|
Hebr. getuigen des wrevels; of des gewelds; dat is, die mij met valsheid pogen te verdrukken en met geweld doen overvallen.
|
|
19) | ik niet |
|
Dat is, zij leggen mij ten laste, des ik mij niet bewust ben.
|
|
20) | de |
|
Dat is, zij zoeken mij van mijn leven te beroven.
|
|
21) | zak |
|
Dat is, ik droeg rouw over hen. Zie Gen. 37:34.
|
|
22) | keerde |
|
Dat is, ik herhaalde dikwijls in stilte en bij mijzelven mijn gebed voor hen. Hij wil zeggen dat hij het oprecht en wèl met hen gemeend heeft. Anders, mijn gebed kere weder in mijnen boezem, of schoot; dat is, mij wedervare zulks, gelijk ik voor hen gebeden heb.
|
|
23) | ging |
|
Dat is, ik hield en gedroeg mij niet anders dan of zij van mijn naaste bloedvrienden geweest waren. Anders, ik ging steeds [tot hen] als [tot] enz. Dat is, ik bezocht hen dagelijks.
|
|
24) | in het |
|
Dat is, in het zwart gekleed, gelijk de rouwdragenden gewoon zijn te doen. Alzo Ps. 38:7, en Ps. 42:10, en Ps. 43:2. Zie ook Job 5:11.
|
|
25) | hinkte, |
|
Dat is als mijne zaken kwalijk gingen, dat het scheen alsof ik zou moeten struikelen en vallen. Alzo Ps. 38:18; Jer. 20:10. Verg. Job 12:5.
|
|
26) | als geslagene |
|
Te weten, aan de voeten; gelijk enigen dit nemen. Dat is, zich houdende alsof zij lam waren en van rouw over mijn ongeluk hinkten. Zie 2 Sam. 4:4, en 2 Sam. 9:3, alwaar deze woorden alzo bij het woord geslagen gevonden worden, van Mefiboseth; of versta, geslagene, dat is, verslagen zijnde [van geest,] uit Jes. 66:2, blijvende de zin gelijk, of, als [mede] geslagene. Want zij wilden met hun lichamelijke gebaren [als hinken en klederen te scheuren] te kennen geven dat zij bemoeid en bekommerd waren over Davids lijden, doch valselijk en als huichelaars. Anders worden deze woorden aldus overgezet: fielten, of boeven, [die voor zulken bekend waren, dat zij slagen of geselen verdiend hadden, dat is, het snoodste gespuis onder het volk, daar toe opgerokkend zijnde]; verzamelden zich tegen mij, die ik niet kende; [en vervolgens nimmer leed gedaan had] zij scheurden [de keel] op [dat is, plaagden en spotten] en hielden niet op. Beide overzettingen hebben een goeden zin, hoewel hetgeen in den tekst gesteld is, naast met de eigenschap der Hebr. spraak schijnt overeen te komen; waarvan de verstandige lezer kan oordelen.
|
|
27) | merkte |
|
Te weten, niets kwaads, ik dacht niet dat zij huichelden en mij bedrogen maar meende dat zij het van harte deden.
|
|
28) | zwegen |
|
Maar troostten mij, weenden over mij. Of, doch zij zwegen niet; maar achter mijn rug toonden zij genoeg hoe zij het meenden, gelijk volgt.
|
|
29) | spotachtige |
|
Of, smetbroeders, tafellikkers. Hebr. eigenlijk, spotters van den koek, of koekspotters. [Hebr. spotting van den koek]; dat is, die hunne gebaren en tongen om een stuk broods, of smets, [gelijk men zegt] verkopen, sprekende en doende alles naar het believen desgenen, die hun buik vult, waarom ook het Hebreeuwse woord bij sommigen voorts genomen wordt voor boetsmakers, spotvogels. Hij wil zeggen: Als zij bij dit hun volkje zijn, dan uiten zij de bitterheid huns harten tegen mij, wensende mij alles kwaads en verdrietig zijnde dat het nog zo lang met mij duurt. Van het knarsen met de tanden, zie Job 16:9.
|
|
30) | eenzame |
|
Verst, mijne ziel; gelijk Ps. 22:21; zie aldaar.
|
|
31) | valse |
|
Hebr. leugen, of, valsheid, valselijk; Dat is, om de valse oorzaken, gelijk Ps. 38:20, en Ps. 69:5.
|
|
32) | wenken |
|
Dat is, mij spijtig en spotachtig aanzien, mij dreigende, alsof zij wilden zeggen: Men zal u haast leren, enz. Verg. Spreuk. 6:13, en Spreuk. 10:10.
|
|
33) | zonder |
|
Gelijk boven Ps. 35:7.
|
|
34) | bedriegelijke |
|
Hebr. worden, of zaken van bedriederijen, of listen.
|
|
35) | stillen |
|
Hebr. stillen des lands, of der aarde, Dat is, vreedzamen, die gaarne in stilte zouden leven en God dienen, zonder iemand enig kwaad te willen of te doen, hetwelk der vromen aard is.
|
|
36) | Haha, |
|
Dat is, zo, dat gaat wel; nu zien wij met lust, waar wij lang naar gewenst hebben. Verg. Ps. 22:18 en zie Job 39:28.
|
| No Link found
|
|
37) | tot mijn |
|
Om mij tegen mijne vijanden en vervolgers recht te doen; zolang Gij dat niet doet, houdt Gij U als een die slaapt.
|
|
38) | gerechtigheid, |
|
Die vereist dat Gij mijn gerechtige zaak voorstaat.
|
|
39) | Heah, |
|
Alsof zij zeiden: Moed! weest nu vrolijk, o, onze ziel, want wij zien onzen lust aan hem. Zie boven, Ps. 35:21.
|
|
40) | bekleed |
|
Zie Job 8:22.
|
|
41) | grootmaken. |
|
Zichzelven zoeken groot te maken met mijn verdrukking en ondergang, of die zich zo trots en stout tegen mij gedragen, snoevende met woorden en werken. Zie deze manier van spreken, Jer. 48:26,42; Ezech. 35:13; Obadja. 12: Ps. 38:17, en Ps. 55:13, en verder Job 19:5, met de aantekening.
|
| No Link found
|
|
42) | lust |
|
Dat is, die mijn rechtvaardige zaak hartelijk zijn toegedaan, biddende om een blijde uitkomst, voor welke zij u mogen danken en grootmaken.
|
|
43) | vrede |
|
Dat is, tot de verlossing en het welvaren van David, die zijn dienstknecht is. Zie Gen. 37:14.
|
|