1)in het vierhonderd en tachtigste jaar,
Sommigen rekenen deze jaren aldus: onder Mozes in de woestijn zijn de kinderen Israëls geweest veertig jaren, onder Jozua zeventien, onder de richters 299, onder Eli, Samuel en Saul tachtig, onder David veertig. Deze tezamen gerekend, met vier jaren van het koninkrijk Salomo's, maken 480 jaren.
 
2)Ziv
Meest overeenkomende met onzen April, en ten dele met onzen Mei. Zie van deze maand ook onder 1 Kon. 6:37; idem Num. 1:1.
 
3)de tweede maand,
Naar de ordinantie des Heeren, Exod. 12:2.
 
4)bouwde.
Dat is, begon te bouwen, alzo Gen. 5:32. Zie hiervan breder onder 1 Kon. 6:37,38; 2 Kron. 3:1.
 
5)ellen in zijn
Te weten, heilige. Zie van deze maat, Gen. 6:15.
 
6)lengte,
Deze strekt zich van het oosten tot het westen.
 
7)breedte,
Deze was van het zuiden tot het noorden.
 
8)het voorhuis,
Versta niet hierdoor een ruimte voor aan den ingang van het heilige.
 
9)naar de breedte van het huis,
Dat is, dit voorhof is zo lang geweest, als het huis des Heeren of de tempel breed was. Vergelijk 1 Kon. 6:2.
 
10)breedte,
Hier wordt maar gesproken van zijn lengte en breedte; maar 2 Kron. 3:4 vinden wij ook zijn hoogte, welke was van honderd twintig ellen.
 
11)gesloten uitzichten.
Dat is, die ten dele eng en als gesloten waren, tegen het inkijken en ongemak des weders, ten dele breed, en alzo bekwaam voor het vatten van den zonneschijn en het uitzicht. Aldus, naar eniger gevoelen, zijn de vensters in den muur, die zeer dik was, van buiten eng en van binnen wijd geweest. Anderen menen dat zij van buiten wijd en van binnen eng waren; anderen van buiten en van binnen wijd, doch allengskens van beide zijden nauw, ingaande tot het midden van den muur, alwaar zij met glas toegesloten waren, tegen het kwade weder. Anders, die men openen en sluiten kon.
 
12)rondom
Te weten, aan de zuid- en west- en noordzijden van het huis, doch niet aan de oostzijde, welke met het portaal bezet was.
 
13)aan den wand
Dat is, aan den muur des tempels; en dat alzo, dat de balken de kamers hier gemeld, niet waren gewrocht in den muur van den tempel, maar lagen op de neuten of balkstenen van denzelfden muur daar hij van buiten ingekort was. Deze inkorting geschiedde tot driemaal toe, telkens met het opbouwen van vijf ellen, en dan waren op die uitstekende neutstenen de balken der kamers, die van drie verdiepingen waren, gelegd en gepast.
 
14)kameren,
Hebreeuws, vloeren; dat is, kamergebouwen en vertrekken buiten aan den tempel ten gebruike der priesters, als zij hun ambt bedienen zouden, en om daarin op te sluiten de eerstelingen, de tienden, de priesterlijke klederen, de offeranden en andere dingen behorende tot den godsdienst enz. Zie 2 Kon. 11:2, en 1 Kron. 28:12, en Ezech. 42:13,14.
 
15)van den tempel
Versta het voorste deel van den tempel, anders genoemd het heilige, waarin de priesters dagelijks gingen om te roken en de lampen toe te maken.
 
16)aanspraakplaats.
Of, Antwoordplaats. Het Hebreeuwse woord heeft zijn naam van aanspreken. Versta, de innerste plaats des tempels, anders genoemd het heilige der heiligen, vanwaar God zijn aanspraak en antwoord gaf. Vergelijk onder, 1 Kon. 6:16,20.
 
17)zijkameren rondom.
Hebreeuws, ribben. Versta, dezelfde kamer, van welke in het begin van 1 Kon. 6:5 gesproken is, of zekere gangen van galerijen, die vooraan langs de tweede en derde verdieping dezer kamers waren.
 
18)De onderste kamer
Alzo de muur des tempels drie inkortingen had, de onderste, de middelste en de opperste, zo was de onderste verdieping der kamers een el nauwer dan de middelste, en de middelste weder zoveel nauwer dan de opperste.
 
19)hij had aan het huis
Hij had de dikte van den muur des tempels telkens een el gesmald, om op de neutstenen de balken der kamers te leggen. Deze smalling of inkorting was in de hoogte van den muur van vijf en tien en vijftien ellen.
 
20)zich niet
Te weten, de kamers.
 
21)hielden
Dat is, met hun balken in den muur des tempels niet ingelaten werden met doorboring en verbreking van denzelven. Vergelijk Ezech. 41:6.
 
22)volmaakten steen,
Dat is, die tevoren tot het werk volkomenlijk bereid was, hetwelk ook van het hout is gezegd, boven, 1 Kon. 5:18.
 
23)zoals dezelve toegevoerd was,
Hebreeuws, der toevoering; dat is, met steen, zoals die daar aangevoerd kwam.
 
24)der middelste zijkamer
Dat is, door welke men opging naar de middelste zijkamer.
 
25)rechterzijde
Hebreeuws, schouder. De rechterzijde des tempels in het uitgaan was het zuiden. Want de ingang des tempels stond in het oosten, en het allerheiligste in het westen.
 
26)derde.
Te weten, zijkamers. Uit het getal van velen kan men hier verstaan dat elke verdieping verscheidene kamers en hoeken heeft gehad. Zie 2 Kon. 11:2.
 
27)bedekte
Te weten, van binnen aan zijn dak.
 
28)gewelven
Hebreeuws, naar sommiger gevoelen, ruggen.
 
29)rijen van cederen.
Hebreeuws, ordeningen in, of, met cederen; dat is, met ordelijke samenhechting van cederen balken, planken, of berderen.
 
30)hij voegde
Dat is, hij legde ze en paste ze op de inkorting van den muur des tempels. Zie boven, 1 Kon. 6:6.
 
31)inzettingen,
Hoe deze drie woorden: inzettingen, rechten en geboden, onderscheiden worden, zie boven, 1 Kon. 2:3.
 
32)in het midden
Zie Lev. 26:12.
 
33)bouwde
Dat is, hij ging in de bouwing des tempels voort, om dien van binnen te volmaken en te versieren.
 
34)bouwde hij
Dat is, hij beschoot de wanden met cederen planken enz. alzo in 1 Kon. 6:16.
 
35)planken;
Hebreeuws, zijden; en zo in het volgende.
 
36)tot aan het dak
Hebreeuws, tot aan de wanden van het dak; dat is, tot aan het opperste deel des muurs, waarop het dak rust.
 
37)het huis
Versta dit niet van het innerste deel des huizes, maar van het voorste, genaamd het heilige.
 
38)bouwde
De zin is, dat hij den tusschenmuur, waardoor het heilige van het allerheiligste onderscheiden werd, met cederen planken beschoten heeft.
 
39)twintig ellen
De lengte des tempels was zestig ellen, boven, 1 Kon. 6:2, waarvan het voorste had veertig, en vervolgens het innerste twintig.
 
40)van den vloer af
Dat is, den gehelen vloer van den enen muur tot den anderen.
 
41)Hem
Namelijk, den Heere, van wien recht tevoren in 1 Kon. 6:13 gesproken is.
 
42)tempel,
Genaamd het heilige. Dit was dubbel zo lang als het heilige der heiligen, hetwelk maar twintig ellen in de lengte had, onder 1 Kon. 6:20.
 
43)knoppen
Anders, wilde kouwoerden, alzo onder, 1 Kon. 7:24.
 
44)open bloemen;
Hebreeuws, opening der bloem. Alzo in het volgende.
 
45)inwaarts
Te weten, de plaats waar het allerheiligste was; in het uiterste van den tempel.
 
46)het huis,
Hebreeuws, in het midden van het huis. Het woordje huis betekent hier het gehele gesticht des tempels.
 
47)vooraan
Dat is, welke, als iemand inging van het oosten naar het westen, voor hem lag in het einde van het heilige. Anders, de ruimte, [of, de aangezichten] van de aanspraakplaats, was van, enz.
 
48)twintig ellen in haar hoogte,
Boven, 1 Kon. 6:2, staat wel, van het gehele huis, dat het dertig ellen in zijn hoogte had, maar dewijl men van het eerste voorhof tot het tweede, en van het tweede tot het heilige, en van dit tot het allerheiligste met trappen moest opklimmen, gelijk men kan afnemen, Ezech. 40;6, zo is het geen wonder, dat de vloer enige ellen hoger, en nader aan het dak geweest is.
 
49)met gesloten goud;
Dat is, dicht fijn, rein. Zie 2 Kron. 3:4. Of, alzo genoemd [gelijk anderen menen] omdat het van David tot de timmering des tempels was opgesloten en bewaard geweest, 1 Kron. 29:3,4, waar het ook goud van Ofir genoemd wordt, hetwelk om zijn waardigheid altijd in grote achting geweest is, Job 22:24; maar het edelste en kostelijkste goud is in het algemeen ook zou genoemd geweest, omdat men dat zeer nauw pleegt op te sluiten, Job 28:15.
 
50)cederen altaar.
Versta het reukaltaar, van hetwelk ook gesproken wordt onder, 1 Kon. 6:22, en 1 Kon. 9:25. Dit heeft Salomo ook met goud overtogen, en wordt daarom genoemd het gouden altaar, onder 1 Kon. 7:48.
 
51)huis van binnen
Versta, het heilige der heiligen; gelijk in het einde van 1 Kon. 6:21 verklaard wordt.
 
52)hij toog
De zin is dat Salomo een voorhang heeft laten maken, welken hij langs henen aan het schutsel, hetwelk het heilige van het allerheiligste onderscheidde, heeft opgetogen, hangende aan gouden ketenen. Zie van den voorhang Exod. 26:31,32,33.
 
53)gehele altaar,
Zie boven, 1 Kon. 6:20.
 
54)cherubs
Zie Gen. 3:24.
 
55)olieachtig hout;
De cherubim, die Mozes liet maken, waren van louter goud, Exod. 25:18. Sommigen nu houden deze olieachtige bomen niet voor olijfbomen, maar voor andere bomen, die mede olie uitgeven, gelijk cederbomen en pijnbomen, enz., want de olijfbomen worden van de olieachtige onderscheiden, gelijk Neh. 8:16.
 
56)van het einde van zijn enen vleugel,
Hebreeuws, van de einden zijner vleugelen tot aan de einden zijner vleugelen.
 
57)snede.
Dat is, maaksel.
 
58)binnenste huis;
Dat is, het heilige der heiligen; alzo wordt het heilige genoemd de tempel die vooraan was, boven 1 Kon. 6:17.
 
59)cherubs spreidden de vleugelen uit,
De zin is, dat de twee cherubim, in het heilige der heiligen staande, elk met zijn enen vleugel raakte den wand, de een die aan de zuidzijde, de andere die aan de noordzijde was, en dat zij dan met hun andere vleugelen elkander raakten; zodat zij met dezelve de gehele breedte der plaats overreikten; want gelijk deze twintig ellen breed was, boven 1 Kon. 6:20, alzo was elke vleugel vijf ellen lang, boven 1 Kon. 6:24; vervolgens stonden beide de cherubim van elkander tien ellen, en elk van den wand zijner zijde vijf ellen, makende tezamen twintig ellen. Vergelijk 2 Kron. 3:11, enz.
 
60)van buiten.
Hierdoor verstaan sommigen den wand, die het allerheiligste van het heilige onderscheidde, welken hij versierd heeft, niet alleen van binnen aan de zijde, die in het allerheiligste was, maar ook van buiten aan de zijde, die in het heilige stond. Anderen verstaan het in het algemeen van de wanden, zo van het allerheiligste als van het heilige.
 
61)van binnen en van buiten.
Dat is, in het allerheiligste en in het heilige.
 
62)was
Dat is, hij was zo breed en hoog als het vijfde deel des wands, te weten, vier ellen. Want de wand der aanspraakplaats was twintig ellen breed en hoog. Zie boven, 1 Kon. 6:16. Anderen vertalen dit alzo, dat de bovendorpel en de posten van vijf hoeken, of leden waren.
 
63)ook trok hij
Hierdoor kon het maaksel van het gegraveerde werk altijd gezien worden.
 
64)het vierde deel
Want de posten [de deur mede gerekend zijnde] waren vijf ellen breed en hoog, hetwelk is het vierde deel van twintig. Andere verstaan dit alzo van de posten, dat zij vierhoekig of vierledig waren. Vergelijk boven, 1 Kon. 6:31, en de aantekeningen.
 
65)dennenhout;
Zie boven, 1 Kon. 5:8.
 
66)het binnenste voorhof
Versta, het voorhof, dat naast den tempel was, en het voorhof der priesters genoemd wordt, 2 Kron. 4:9, omdat niemand dan zij en de Levieten daarin mocht komen, en omdat de priesters daarop het brandofferaltaar offeranden deden en den godsdienst waarnamen.
 
67)Ziv;
Zie boven, 1 Kon. 6:1.
 
68)welke is
Deze maand komt overeen ten dele met onzen October, ten dele met onzen November.
 
69)stukken
Hebreeuws, dingen, of woorden; dat is, naar alles wat daarvan gezegd en geordineerd was.