1)penning des daags,
Grieks, denarias. Zie daarvan Matth. 18:28; Openb. 6:6.
 
2)derde ure
De Joden verdeelden de dag in twaalf uren, gelijk te zien is Joh. 11:9, zodat het uur van elf tot twaalf het laatste was van de dag en van de arbeid, en het derde met ons negende voor de middag overeenkwam.
 
3)rentmeester:
Grieks, Epitropos; dat is, die de bediening of zorg had van zijn goederen, of die zorg had over het ontvangen en uitgeven van zijn inkomen.
 
4)een penning.
Hieruit blijkt dat het loon hiernamaals niet gegeven zal worden naar verdiensten; anders zouden deze laatsten minder hebben moeten ontvangen dan de eersten.
 
5)murmureerden
Hieruit volgt niet dat er ten laatste dage onder de gelovigen enige murmurering zal zijn, daar alle delen der gelijkenissen niet mogen toegepast worden; maar dit wordt hier gesteld om te tonen dat er alsdan geen oorzaak van murmureren zijn zal, overmits het loon gegeven zal worden uit Gods goedheid en naar genade, gelijk blijkt uit Matth. 20:15.
 
6)gearbeid,
Of, doorgebracht in de arbeid.
 
7)Vriend,
Grieks, gezel.
 
8)boos,
Dat is, afgunstig, nijdig.
 
9)eersten zijn
Dat is als de eersten.
 
10)laatsten;
Dat is als de laatsten. Hiermede leert Christus dat niemand oorzaak heeft om te murmureren over de beloning, die namaals gegeven zal worden, al is het dat iemand meer gearbeid of langer God gediend heeft, overmits dezelve gegeven zal worden uit genade en naar de eeuwige verkiezing, gelijk Christus in de volgende woorden getuigt, als Hij zegt: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Anderen menen dat door de eersten verstaan worden die uit hun eigen werken willen gerechtvaardigd en zalig worden, hoedanig de jongeling was, waarvan in het voorgaande hoofdstuk gepsproken is; en door de laatsten degenen, die uit kracht der genadige verkiezing Gods de roeping ter zaligheid met een waarachtig geloof aannemen.
 
11)moeder der zonen van Zebedeus
Namelijk Salome, gelijk blijkt uit vergelijk van Matth. 27:56 met Mark. 15:40.
 
12)zonen,
Namelijk Johannes en Jakobus; Matth. 10:2 en Mark. 10:35.
 
13)zitten mogen
Dat is, dat zij de grootste of meeste na U mogen zijn. Een gelijkenis, genomen van koningen, die op hun troon zitten en degenen, die naast aan hen zijn, aan beide zijden naast hen plegen te zetten. Zie 1 Kon. 2:19; Ps. 45:10 en Ps. 110:1.
 
14)weet niet
Want zij verstonden nog niet de staat des koninkrijks van Christus, en waartoe zij geroepen waren, niet om in de wereld te heersen, maar om te dienen en te lijden.
 
15)drinkbeker drinken,
Door de drinkbeker alsook door de doop verstaat Christus zwaar lijden, waardoor de mens als met een bittere drank gedrenkt en als met water overstort wordt, Ps. 75:9; Jes. 51:17, Matth. 26:42; Luk. 12:50.
 
16)staat bij mij
Grieks, het is mijne niet. Namelijk in deze mijn nederige staat, en om zulke redenen als gij u inbeeldt; anders zal Christus namaals ook geven te zitten op zijn troon degenen die overwinnen, Open. 3:21. Of, dan wie het bereid is. Zie Mark. 10:40.
 
17)bereid is van mijn Vader.
Dat is, van eeuwigheid verordineerd. Zie Matth. 25:34.
 
18)tien dat hoorden,
Namelijk apostelen.
 
19)volken
Anders, heidenen.
 
20)u niet zijn;
Namelijk mijn apostelen en alle anderen, die tot de dienst der kerk geroepen zullen worden, dewelken zulke wereldse wijze van heersen hier verboden wordt. Want anders zullen en mogen onder de Christenen ook koningen en heerschappijvoerders zijn; Ps. 2:10, en Jes. 49:23.
 
21)ziel te geven tot
Dat is, leven. Of, zichzelven naar lichaam en ziel.
 
22)rantsoen
Of, losgeld; hetgeen gegeven wordt tot lossing van degenen, die gevangen zitten.
 
23)voor velen.
Dat is, in plaats van velen, namelijk de uitverkoren kinderen Gods, om hen daarmede van de eeuwige dood te verlossen; Joh. 10:15, en Joh. 11:52, en Joh. 17:9.