1)na die plaag,
Versta, de plaag vermeld in het voorgaande hoofdstuk Num. 25, door welke vier en twintig duizend Israëlieten omgekomen zijn, ter oorzaak van hun hoererij met de Moabietische vrouwen en afgoderij met Baäl-Peor bedreven. Na deze plagen waren er geen meer [dan Jozua en Kaleb] overig van degenen, die, boven de twintig jaren oud zijnde, om hun murmurering, waren veroordeeld in de woestijn te moeten sterven, eer de kinderen Israëls in het bezit des beloofden lands treden zouden. Zie boven, Num. 14:33,34,35; zie in Num. 26:63,64,65; Deut. 2:14.
 
2)vlakke velden van Moab,
Zie boven, Num. 22:1, en onder in Num. 26:63, en Num. 33:48.
 
3)de Jordaan van Jericho,
Waar deze rivier zich nabij de stad Jericho wendt. Alzo boven, Num. 22:1, en onder, Num. 26:63.
 
4)Dat men opneme
Dit woord is hier tot aanvulling ingevoegd uit Num. 26:2. Evenwel, het kan nagelaten woren, de overzetting aldus gesteld zijnde: Van twintig jaren oud, en daarboven, enz., zodat dit het begin zou zijn van de rol, de Mozes gemaakt en het volk voorgelezen heeft.
 
5)die uit Egypteland uitgetogen waren.
Zie boven, Num. 1:2, en vergelijk Exod. 30:12.
 
6)van welken was
Het woordje van is hier ingevoegd, naar gelijkheid der volgende manier van spreken. Alzo ook onder, Num. 26:23, enz. Het andere moet dikwijls, naar de eigenschap der Hebreeuwse taal, tot aanvulling van den zin, als een bijvoegsel, er in gelaten worden.
 
7)Hezron het geslacht der Hezronieten;
Hebreeuws, Chetsron.
 
8)zonen van Pallu waren Eliab.
Het getal van velen, voor het getal van een. Zie Gen. 21:7, en Gen. 46:7.
 
9)geroepenen der vergadering,
Zie boven, Num. 1:16, en Num. 16:2.
 
10)in de vergadering van Korach,
Versta, die muitige en oproerige samenrotting, waarvan Korach het hoofd geweest was. Zie boven, Num. 16:1,2,3.
 
11)opendeed,
Dat is, openspleet, zeer wijde en diepe kloven makende.
 
12)met Korach,
Versta, met Korachs huisgezin, wat toen bij hem was; boven, Num. 16:32. Want Korach zelf was met de twee honderd vijftig mannen verbrand; in hetzelfde hoofdstuk, Num. 16:35.
 
13)tot een teken.
Hebreeuws, tot een banier; dat is, tot een opmerkelijk exempel van een rechtvaardige straf Gods over degenen, die oproer en scheuring aanrichten tegen de orde, die God in zijn kerk en de republiek gesteld heeft.
 
14)stierven niet.
Te weten, noch door het vuur, dat hun vader en zijn rot verteerd had, noch door de verzinking in de aarde, met het huisgezin huns vaders. Hetwelk geschied is omdat zij in die muiterij niet hadden bewilligd, en in den dienst des tabernakels mochten bezig zijn.
 
15)Nemuel,
Anders genoemd Jemuel; Gen. 46:10.
 
16)Zerah
Die ook Zochar genoemd wordt, Gen. 46:10.
 
17)twee en twintig duizend en tweehonderd.
Merk op, dat hun getal zeer verminderd was van hetgeen verhaald wordt boven, Num. 1:23; mogelijk omdat zij Zimri, den zoon van Salu, die een overste der Simeonieten was, in het stukje zijner boze daad, vermeld boven, Num. 25:14, waren toegedaan geweest, ja daarin hem nagevolgd hadden.
 
18)Zefon
Hebreeuws, Tsephon; die ook Ziphjon genoemd wordt, Gen. 46:16. Vergelijk verder deze namen met Gen. 46; idem, met 1 Kron. 1, 1 Kron. 2, 1 Kron. 3, 1 Kron. 4, 1 Kron. 5, 1 Kron. 6, 1 Kron. 7, 1 Kron. 8, enz.
 
19)Ozni
Die ook Ezbon schijnt genaamd te zijn, Gen. 46:16.
 
20)Arod
Genaamd Arodi; Gen. 46:16.
 
21)stierven in het land Kanaan.
Te weten, door een rechtvaardig oordeel Gods, hetwelk ging over hun grote en grove zonden. Zie Gen. 38:7.
 
22)Perez
Hebreeuws, Perets.
 
23)van Tola
Zie boven, Num. 26:5.
 
24)Jasub
Ook Job genaamd; Gen. 46:13.
 
25)van
Dit woordje is hier en in Num. 26:31,32 bijgevoegd uit de voorgaande en navolgende manier van spreken in Num. 26. Zie boven, Num. 26:5.
 
26)Jezer
Anders genoemd Abiëzer, Joz. 17:2, en elders.
 
27)Zelafead,
Hebreeuws, Tselophchad.
 
28)Ahiram
Die ook Ehi schijnt genaamd te zijn, Gen. 46:21, en Achrach, 1 Kron. 8:1.
 
29)Suham
Die ook Chuschim schijnt genoemd te zijn; Gen. 46:23.
 
30)Heber
Hebreeuws, Cheber, met de letter Chet.
 
31)Jahzeel
Hebreeuws, Jachtseël, of Jachtsiël, gelijk 1 Kron. 7:13.
 
32)Sillem
Die ook Schallum genoemd wordt, 1 Kron. 7:13.
 
33)de getelden van de zonen Israëls:
Merk hier op de gewisse waarheid en almogende kracht Gods, in de beloofde vermenigvuldiging van Abrahams zaad. Want alzo in 38 jaren meer dan zes honderd duizend en drie duizend Israëlieten gestorven waren, zo heeft nochtans God teweeggebracht, dat hetzelfde getal hetwelk verhaald wordt boven, Num. 1:46, gebleven is, uitgenomen een duizend en enige honderden.
 
34)Aan dezen zal het land
Te weten, geslachten der stammen.
 
35)naar het getal der namen.
Dat is, naardat een geslacht klein of groot is; dat is, uit weinige of uit veel mensen bestaande, wier namen in een register waren opgetekend. Vergelijk Num. 26:54.
 
36)gij hun erfenis meerder maken,
Hetwelk door Mozes geschied is op deze zijde van de Jordaan, onder de stammen van Ruben en Gad en den halven stam van Manasse, onder, Num. 32:33, maar door Jozua, naar het bevel van Mozes, onder de andere stammen, en den anderen halven stam van Manasse; Jos. 14, enz.
 
37)lot gedeeld worden;
Het land werd eerst door het lot gedeeld in twaalf stammen, en de stammen daarna in huisgezinnen, en dat door het oordeel der oversten en des hogepriesters.
 
38)zij erven.
Te weten, de huisgezinnen van elken stam zullen naar de wijze in Num. 26:54 voorgeschreven, in hun erf treden.
 
39)het lot zal
Hebreeuws, naar den mond des lots. Want het lot is des HEEREN, verklarende zijn wil.
 
40)erfenis gedeeld worden
Versta, ten aanzien van de deling der stammen.
 
41)Libnieten,
Die van Gerson afkomstig waren. Zie boven, Num. 3:18.
 
42)Hebronieten,
Van Kahath afkomstig, boven Num. 3:19.
 
43)Machlieten,
Dezen en de Musieten hadden hun afkomst van Merari; boven, Num. 3:20.
 
44)Korachieten.
De nakomelingen Kahaths; boven, Num. 16:1.
 
45)de huisvrouw van Levi
Hebreeuws, welke zij den Levi baarde. Versta door deze barende, niet Jochebed [die de geboren persoon is], maar de huisvrouw van Levi, de moeder van Jochebed en de moei van Amram, wiens grootvader Levi was.
 
46)van een maand oud en daarboven;
Hebreeuws, zonen ener maagd.
 
47)onder de kinderen Israëls,
Hebreeuws, in het midden; alzo in het volgende van dit vers.
 
48)telden
Zie boven, Num. 1:1,2, enz.
 
49)als zij de kinderen Israëls
Zie van deze telling, Exod. 30:12,13,14.
 
50)gewisselijk zouden sterven;
Hebreeuws, stervende sterven; dat is, zekerlijk sterven; te weten, òf door plagen, òf hun natuurlijken dood, en dat vanwege hun wederspannigheid. Zie boven, Num. 14:28,29,30, en onder, Num. 27:3.
 
51)Kaleb,
Deze twee waren God getrouw gebleven, en hadden het volk mede daartoe vermaand; boven, Num. 14:6, enz.