1)de zee;
Dat is, het meer van Galilea of Gennesareth, waaraan Kapernaüm lag, aan hetwelk Christus dikwijls ging, omdat daar gemeenlijk veel volks was en daarom geschiktheid om te leren; Matth. 13:1; Mark. 2:13.
 
2)gelijkenissen,
Grieks, parabolen. Zie Matth. 13:3.
 
3)in Zijn lering tot hen:
Dat is, in het leren, of als Hij leerde.
 
4)niet veel aarde had;
Want weinig aarde wordt spoedig van de zon verwarmd en van den regen bevochtigd. Doch als de hitte blijft duren, zo wordt zij ook haastig uitgedroogd.
 
5)geen wortel had,
Dat is, geen genoegzamen of vasten wortel.
 
6)het andere viel in de goede aarde,
Namelijk graan, of deel des zaads.
 
7)en het andere
Grieks, het ene.
 
8)het andere honderdvoud.
Grieks, het ene.
 
9)Wie oren heeft om te horen,
Zie de verklaring Matth. 13:9.
 
10)die omtrent Hem waren,
Gelijk daar waren degenen, uit dewelken hij zijne zeventig discipelen genomen heeft.
 
11)te verstaan
Namelijk klaarlijk en duidelijk.
 
12)die buiten zijn,
Namelijk die buiten het getal van mijne schapen zijn, of die geen rechte leden der gemeente zijn;; Joh. 10:26; Rom. 9:6,7,8.
 
13)Opdat zij ziende zien,
Met deze woorden, genomen uit Jes. 6:9, wordt verklaard het oordeel Gods over degenen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn. Zie Matth. 13:14, en 2 Thess. 2:11,12.
 
14)het Woord zaait.
Dat is die de leer des Evangelies predikt.
 
15)zijn, die bij den weg bezaaid worden,
Dat is, door dezen, die bij den weg bezaaid zijn, worden betekend degenen, enz.
 
16)waarin het Woord gezaaid wordt;
Grieks alwaar; dat is, in welken. Zie voorts de verklaring van deze gehele gelijkenis in de aantekeningen Matth. 13:18, enz.
 
17)terstond geergerd.
Dat is, zij stoten zich daaraan, dat zij met de belijders des Evangelies aan vervolging onderworpen zijn en vallen daarna af.
 
18)wereld,
Grieks, eeuw; dat is, van dingen, die tot dit leven behoren.
 
19)de andere dingen,
Namelijk als van eer, wellusten, wraak en dergelijke.
 
20)Komt ook de kaars,
Dat is, wordt ook ene kaars ontstoken en gebracht.
 
21)bed gezet worde?
Of, bedstede.
 
22)niets verborgen,
Namelijk door Christus zijne discipelen geleerd om verborgen te blijven, maar opdat zij tot zijnen tijd hetzelve voor allen openlijk zouden leren.
 
23)hore.
Dat is, die merke daarop.
 
24)maat gij meet,
Dat is, naardat gij uwe gaven van kennis anderen getrouw zult mededelen, zal de Heere u die ook vermeerderen. Zie Matth. 25:21,29.
 
25)Koninkrijk Gods,
Dat is, de voortgang van de predikatie des Evangelies. Zie Matth. 21:43.
 
26)sliep,
Dat is, daarna gerust op en neder ging, gelijk Ps. 3:6.
 
27)lang werd,
Dat is, groot of hoog opgeschoten.
 
28)van zelve vruchten voort:
Dat is, brengt door haar ingeschapen kracht en natuur vrucht voort van hetgeen daarin gezaaid is; Gen. 1:11. Met deze gelijkenis leert Christus dat het goddelijke woord, gepredikt zijnde, zijn wasdom krijgt in de harten der mensen, niet eigenlijk door des leraars arbeid en zorg, maar door de verborgen werking des Geestes Gods, welke uit het voortkomen van de vruchten allengskens daar bespeurd wordt, 1 Cor. 3:7.
 
29)daar is.
Grieks, daar staat.
 
30)bij een mosterdzaad,
Wat deze gelijkenis beduidt, zie Matth. 13:31.
 
31)het minste is van al de zaden,
Grieks, het mindere.
 
32)het meeste van al de moeskruiden,
Grieks, het meerdere, of grotere.
 
33)het Woord,
Namelijk des Evangelies.
 
34)naardat zij het horen konden.
Dat is, naardat zij deze algemene aardse dingen verstonden, hoewel zij het geestelijke, dat daarmede afgebeeld wordt, niet begrepen.
 
35)aan de andere zijde.
Namelijk van de Galilese zee, tegenover Kapernaüm, naar het land der Gadarenen, gelijk blijkt uit Mark. 5:1.
 
36)Meester,
Grieks, leraar.
 
37)bekommert het U niet,
Of, gaat het u niet aan?
 
38)geen geloof?
Dat is, geen vast vertrouwen. Want zij waren niet geheel zonder geloof, maar kleingelovigen; Matth. 8:26; Luk. 8:25.