1)rug geworpen hebt,
Zie 1 Kon. 14:9.
 
2)uw schandelijkheid
Dat is, de straf derzelve, alzo onder Ezech. 23:49.
 
3)Ohola en Oholiba
Zie boven Ezech. 23:4.
 
4)recht geven?
Zie boven Ezech. 20:4, en Ezech. 22:2.
 
5)bloed in haar handen;
Inzonderheid van haar eigen kinderen. Zie boven Ezech. 16:36, en onder Ezech. 23:45.
 
6)Mij gebaard hadden,
Als zijnde Abrahams zaad en mijne bondgenoten, idem, geboren, staande nog mijne huwelijk met hunlieden. Zie boven Ezech. 16:20.
 
7)door het vuur
Zie boven Ezech. 16:20,21,36,45, met de aantekening, idem Ezech. 20:31.
 
8)spijze.
Te weten van het vuur, dat is, om door het vuur verteerd te worden. Vergelijk boven Ezech. 16:20, en Ezech. 21:32, met de aantekening.
 
9)Mij dit gedaan;
Of, tegen mij.
 
10)Mijn heiligdom
Anders: mijne heiligdommen; dat is de tempel, waarin het heilige en allerheiligste waren.
 
11)geslacht hadden,
Of, gekeeld; te weten ter ere der afgoden; zie boven Ezech. 16:20,36, met de aantekening; idem Jes. 57:5.
 
12)heiligdom,
Als willende mij nog kwanswijs ook enigszins dienen en eren. Vergelijk 2 Kon. 21:4,5; Jer. 7:9,10, en Jer. 11:15; boven Ezech. 8:3,6, en onder Ezech. 43:8.
 
13)gezonden hebben tot mannen,
Om ongeoorloofde verbonden te maken met heidense volken, om welken aan te lokken en te behandelen. God verhaalt, dat zij gelijke kunsten, werken, manieren en wijzen van doen gebruikt hebben, als de erge snode hoeren plegen te doen. Vergelijk Spreuk. 7:16,17, enz.
 
14)Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt.
Dat Ik u had gegeven, waarmede Ik u, als uw rechte man, begaafd en versierd had, en dat gij tot mijne eer schuldig waart te gebruiken. Vergelijk Hos. 2:7,8, en boven Ezech. 16:16,17,18,19.
 
15)daarop stil was,
Te weten op het voorzegde bed, dat is, als deze zusters hare verbondshandelingen met die grote uitlandse meesters bestierd hadden, zonden zij naar anderen. Anders, en in hen [namelijk Judea en Israël] was ene stem van een vrolijke menigte; dat is, men hoorde er vreugde [als in hoerenhuizen] over de heidense verbonden, en met de menigte, of vermits de menigte der mensen; [dat is, van het gemeen gepeupel] werden Sabeërs aangebracht, enz.
 
16)zonden zij
Te weten, Ohola en Oholiba. Dit is hier ingevoegd tot aanvulling van den zin, uit Ezech. 23:40.
 
17)menigte der mensen,
Dat is, van het gemene volk, of slechte lieden.
 
18)wijnzuipers aangebracht
Of, dronkaards, dronken mensen. Anders, Sabeërs, omdat het Hebreeuwse woord beide zou kunnen betekenen, en van de woestijn mede vermeld wordt, zodat men hierdoor allerlei gespuis van vele natiën, als Sabeërs [van wie zie Job 1:15]; Arabieren, Moren, enz. [zijnde ook tot drinken en zuipen genegen] kan verstaan, tegen wie deze twee overspelige zusters zich als snode vuile hoeren mede gedragen hebben.
 
19)armringen
Of, armgesmijden, braceletien.
 
20)haar handen,
Te weten dezer hoeren.
 
21)sierlijke kroon op haar hoofden.
Hebreeuws, kroon des sieraads.
 
22)zeide Ik van deze,
Dat is, Ik dacht; menselijk gesproken, om de ongetemde boosheid van het volk uit te drukken.
 
23)verouderd was:
Of, versleten. Dit kan men duiden op Ohola, als welker hoererij al onder Jerobeam, na Salomo's dood, begonnen was; of van Oholiba, die het langst in haar land gebleven is, of van elk dezer beide. Anders: en Ik zeide deze oude [hare] overspelerijen aan; dat is, Ik bestrafte haar daarover door mijne profeten, doch tevergeefs, gelijk volgt.
 
24)Nu zullen zij hoereren
Alsof de Heere zeide: Nu schijnt dat, niettegenstaande haren ouderdom, hare hoererij opnieuw weder beginnen zal. Anders: nu zullen zij de hoererijen dezer [hoeren] uithoereren, en zij zelf [ook]; dat is, nu zullen zij immers eens moede worden en ophouden, zo die van buiten komen om met deze hoeren te hoereren, als deze hoeren zelf; maar neen, het tegendeel is gebleken. Anders: [dat] zij nu met deze, dan met die hoereren. Deze woorden worden, vanwege de kortheid, verscheidenlijk overgezet.
 
25)en die ook.
Of, en [ook] der andere. Het zal nu weder aangaan. Of, gelijk anderen, het zal eens ophouden met deze beide.
 
26)schandelijke vrouwen.
Hebreeuws, vrouwen der schandelijkheid.
 
27)Rechtvaardige mannen dan,
Dit kan men in het algemeen nemen, alsof de Heere zeide: Alle eerlievende rechtvaardige mannen zullen deze hoeren moeten veroordelen. Of, men kan het duiden op de Assyriërs en Babyloniërs, die rechtvaardigen genoemd worden, omdat zij de uitvoerders geweest zijn van Gods gerechtigheid over Israël en Juda, en zelfs gelegenheid en reden daartoe hadden, vanwege hunne meinedigheid en rebellie; zie Ezech. 23:46.
 
28)richten
Of, veroordelen.
 
29)recht der bloedvergietsters;
Zie boven Ezech. 16:38.
 
30)bloed is in haar handen.
Gelijk boven Ezech. 23:37.
 
31)Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen,
Of, men zal, zij zullen, gelijk boven Ezech. 16:40.
 
32)op u leggen,
Dat is, op uw hoofd, vergeldende en straffende u naar uwe verdiensten.
 
33)zonden uwer drekgoden dragen;
Dat is, de straffen der zonden met uwe drekgoden begaan, gelijk boven Ezech. 23:35.