1)ten dage,
Versta, den eersten dag van de eerste maand des tweeden jaars, nadat zij uit Egypte getogen waren. Zie Exod. 40:17,18.
 
2)oversten van Israël,
Zie boven, Num. 1:16.
 
3)overdekte wagens,
Dat is, die boogachtig, overwelfd en alzo toegedekt waren, tot bewaring van hetgeen er in was.
 
4)brachten ze voor den tabernakel.
Anders, offerden dezelve.
 
5)een ieder naar zijn dienst.
Te weten, elk geslacht der Levieten; dat is, den Gersonieten, Kohathieten en Merarieten, wier ambten en lasten hier boven beschreven, Num. 3, Num. 4.
 
6)vier wagens en acht runderen
De reden, waarom hij den Merarieten meer wagens en runderen heeft gegeven dan den Gersonieten, zie boven, Num. 3:36.
 
7)onder de hand van Ithamar,
Dat is, onder het beleid en opzicht van Ithamar. Zie Gen. 41:35.
 
8)der heilige dingen
Deze worden uitgedrukt boven, Num. 4:4,5,6, enz.
 
9)zij op de schouderen droegen.
Zie boven, Num. 4:15.
 
10)inwijding des altaars,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het werk, waardoor iets door zekere ceremoniën tot een bijzonder gebruik den Heere toegeheiligd wordt; 2 Kron. 7:9; Ezra 6:16, en hier in het volgende.
 
11)voor het altaar.
Te weten, het brandofferaltaar.
 
12)Elke overste
Hebreeuws, een overste op een dag, een overste op een dag, zullen hunne, enz. Zie van deze manier van spreken, Gen. 7:2.
 
13)voor den stam van Juda.
Dat is, hij offerde niet particulierlijk voor zichzelven, maar in den naam en vanwege den gehelen stam van Juda. En alzo is het ook te verstaan van de volgende oversten, dat zij voor hun stam geofferd hebben.
 
14)sikkel des heiligdoms;
Welke deed een halven rijksdaalder, dat is, dubbel zoveel als de gemene of burgerlijke sikkel. Zie Gen. 20:16, en Gen. 23:15.
 
15)ten spijsoffer;
Van spijsoffer; zie Lev. 2:1.
 
16)reukschaal
Anders, kookpan, kop of lepel.
 
17)gouden sikkelen,
Zie van de waarde van een gouden sikkel Gen. 24:22.
 
18)een jong rund,
Hebreeuws, de zoon eens runds; en zo in het volgende.
 
19)dat eenjarig was,
Hebreeuws, zoon zijns jaars; en zo in het volgende.
 
20)ten brandoffer;
Zie Gen. 8:20, en Lev. 6:9.
 
21)zondoffer;
Zie Lev. 4:3.
 
22)ten dankoffer:
Lev. 3:1.
 
23)eenjarige lammeren.
Hebreeuws, zonen eens jaars; en zo in het volgende, dat is, die een jaar oud waren.
 
24)Zuar,
Hebreeuws, Tsuar.
 
25)reukschaal
Te weten, gouden. Zie Num. 7:84.
 
26)offerde de overste
Dit woord is hier ingevoegd uit Num. 7:18. Alzo ook in de volgende verzen.
 
27)Elizur,
Hebreeuws, Elitsur.
 
28)Zurisaddai.
Hebreeuws, Tsurischaddai.
 
29)Gamaliel,
Hebreeuws, Gamliël.
 
30)Pedazur.
Hebreeuws, Pedatsur.
 
31)Op den elfden dag
Hebreeuws, op den dag der elf dagen; alzo onder, Num. 7:78.
 
32)twaalfden dag
Hebreeuws, op den dag der twaalf dagen.
 
33)tent der samenkomst ging,
Versta, toen die gewijd en ten dienste des Heeren geheiligd was. Tevoren had God met Mozes op den berg Sinaï en elders ook gesproken.
 
34)met Hem te spreken,
Namelijk, met den Heere.
 
35)van tussen de twee cherubim.
Hierom wordt God gezegd op, of tussen de cherubim te zitten, of te wonen; 1 Sam. 4:4; 2 Kon. 19:15; Ps. 80:2.
 
36)Alzo sprak Hij tot hem.
Te weten, gelijk Hij beloofd had; Exod. 25:22.