1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16


1Alle ziel zij1) den machten,2) over haar gesteld3), onderworpen;4) want er is geen macht5) dan van God,6) en de machten, die er zijn,7) die zijn van God geordineerd.8)
2Alzo dat die zich tegen de macht stelt,9) de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel10) halen.11)
3Want de oversten12) zijn niet tot een vreze13) den goeden werken,14) maar den kwaden.15) Wilt gij nu de macht niet vrezen,16) doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;17)
4Want zij is Gods dienares,18) u ten goede.19) Maar indien gij kwaad doet,20) zo vrees;21) want zij draagt het zwaard niet tevergeefs;22) want zij is Gods dienares, een wreekster23) tot straf dengene,24) die kwaad doet.
5Daarom is het nodig onderworpen te zijn,25) niet alleen om der straffe,26) maar ook om des gewetens wil.27)
6Want daarom28) betaalt gij ook29) schattingen;30) want zij zijn31) dienaars van God,32) in ditzelve33) geduriglijk bezig zijnde.34)
7Zo geeft dan35) een iegelijk,36) wat gij schuldig zijt; schatting,37) dien gij de schatting, tol, dien gij den tol,38) vreze, dien gij de vreze,39) eer, die gij de eer schuldig zijt.40)
8Zijt niemand iets schuldig,41) dan elkander lief te hebben;42) want die den ander liefheeft,43) die heeft de wet vervuld.45)44)
9Want dit: Gij zult geen overspel doen,46) gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen,47) namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
10De liefde doet den naaste geen kwaad.48) Zo is dan de liefde de vervulling der wet.49)
11En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten,50) dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken;51) want de zaligheid52) is ons nu nader,53) dan toen wij eerst geloofd hebben.54)
12De nacht is55) voorbijgegaan,56) en de dag57) is nabij gekomen.58) Laat ons dan afleggen59) de werken der duisternis,60) en aandoen61) de wapenen62) des lichts.63)
13Laat ons, als in den dag,64) eerlijk65) wandelen;66) niet in brasserijen67) en dronkenschappen,68) niet in slaapkameren69) en ontuchtigheden,70) niet in twist en nijdigheid;
14Maar doet aan71) den Heere Jezus Christus,72) en verzorgt73) het vlees niet74) tot begeerlijkheden.75)