1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21


1Toen nam Pilatus1) dan Jezus, en geselde Hem.2)
2En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;3)
3En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.4)
4Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide5) tot hen: Ziet, ik breng Hem tot ulieden uit, opdat gij6) wetet, dat ik in Hem geen schuld vinde.7)
5Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed.8) En Pilatus zeide tot hen: Ziet, de Mens!9)
6Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld.
7De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en10) naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven11) Gods Zoon gemaakt.
8Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer12) bevreesd;
9En ging wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt Gij?13) Maar Jezus gaf hem geen antwoord.14)
10Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?
11Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien15) het u niet van boven gegeven16) ware; daarom die Mij aan u17) heeft overgeleverd, heeft groter zonde.18)
12Van toen af zocht Pilatus19) Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des20) keizers vriend niet; een iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt21) den keizer.
13Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder22) op den rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrotos,23) en in het Hebreeuws24) Gabbatha.25)
14En het was de voorbereiding van26) het pascha, en omtrent de zesde ure;27) en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!
15Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan den keizer.
16Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus,28) en leidden Hem weg.
17En Hij, dragende Zijn29) kruis, ging uit naar de30) plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd31) wordt Golgotha;
18Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
19En Pilatus schreef ook een opschrift, en32) zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS De NAZARENER De KONING DER JODEN.
20Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn.33)
21De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
22Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik34) geschreven.
23De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad,35) van boven af geheel geweven.36)
24Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift37) vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.
25En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van38) Klopas, en39) Maria Magdalena.
26Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad,40) daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.41)
27Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van42) die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.43)
28Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was,44) opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.
29Daar stond dan een45) vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze46) met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.
30Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht!47) En het hoofd buigende, gaf den geest.48)
31De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag49) des sabbats was groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden50) gebroken, en zij weggenomen worden.51)
32De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten, en des anderen, die met Hem gekruist was;
33Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet.
34Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn52) zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.53)
35En die het gezien heeft,54) die heeft het getuigd, en zijn55) getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is,56) opdat ook gij geloven moogt.57)
36Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem58) zal verbroken worden.
37En wederom zegt een andere Schrift:59) Zij zullen zien, in Welken zij gestoken60) hebben.
38En daarna Jozef van61) Arimathea62) (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden),63) bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe.64) Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.
39En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was),65) brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts.
40Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen,66) gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.67)
41En er was in de plaats,68) waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.
42Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.