1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24


1En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde,1) zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide:2) Naar Hebron.3)
2Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal,4) den Karmeliet.
3Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren,5) een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.6)
4Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden7) aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David,8) zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.9)
5Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen:10) Gezegend zijt gij den HEERE,11) dat gij12) deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
6Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen,13) dewijl gij14) deze zaak gedaan hebt.
7En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper,15) dewijl16) uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda17) tot koning over zich gezalfd.18)
8Abner nu,19) de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth,20) Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,21)
9En maakte hem ten koning22) over Gilead,23) en over de Aschurieten,24) en over Jizreel,25) en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.26)
10Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel;27) en hij regeerde het tweede jaar;28) alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.29)
11Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
12Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit,30) met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.31)
13Joab,32) de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon;33) en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
14En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken,34) en voor ons aangezicht35) spelen.36) En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
15Toen maakten zich op, en gingen over37) in getal,38) twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
16En de een greep den ander bij het hoofd,39) en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen;40) daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim,41) die bij Gibeon is.
17En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.
18Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten,42) als een der reeen, die in het veld zijn.
19En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan.
20Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.
21En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad;43) maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.
22Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan?44) Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?
23Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies45) aan de vijfde rib,46) dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats.47) En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
24Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gibeon.
25En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop;48) en zij stonden op de spits van een heuvel.
26Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren?49) Weet gij niet, dat het in het laatste50) bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?51)
27En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt,52) zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!53)
28Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israel niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.
29Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door,54) en kwamen tot Mahanaim.55)
30Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.
31Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.
32En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.