1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36


1En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia,1) zijn kleinsten zoon,2) koning in zijn plaats; want een bende,3) die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood.4) Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.
2Twee en veertig jaar5) was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar6) te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, een dochter van Omri.7)
3Hij wandelde ook in de wegen8) van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddelooslijk te handelen.
4En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na den dood zijns vaders, hem ten verderve.10)
5Hij wandelde ook in hun raad,11) en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israel, tot den strijd tegen Hazael, den koning van Syrie, bij Ramoth12) in Gilead; en de Syriers sloegen Joram.
6En hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizreel;13) want hij had wonden,14) die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazael, den koning van Syrie; en Azarja,15) de zoon van Joram, den koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreel te bezien, want hij was krank.
7De vertreding16) nu van Ahazia was van God,17) dat hij tot Joram kwam;18) want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de HEERE gezalfd had,19) om het huis van Achab uit te roeien.
8Zo geschiedde het, als Jehu het oordeel uitvoerde20) tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen der broederen21) van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde.
9Daarna zocht hij Ahazia,22) en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem;23) want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die den HEERE met zijn ganse hart24) gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht25) behield tot het koninkrijk.
10Toen Athalia,26) de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad27) van het huis van Juda om.
11Maar Jozabath,28) de dochter des konings,29) nam Joas,30) den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster31) in een slaapkamer;32) zo verborg hem Jozabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jojada33) (want zij was de zuster van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.
12En hij was bij hen verstoken34) in het huis Gods zes jaren; en Athalia regeerde over het land.35)