1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12


1Alles heeft een bestemden tijd,1) en alle voornemen2) onder den hemel heeft zijn tijd.
2Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien;
3Een tijd om om te doden,3) en een tijd om te genezen;4) een tijd om af te breken,5) en een tijd om te bouwen;
4Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen;6) een tijd om te kermen,7) en een tijd om op te springen;
5Een tijd om stenen weg te werpen,9) en een tijd om stenen te vergaderen;10) een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen;
6Een tijd om te zoeken,11) en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen;13)
7Een tijd om te scheuren,14) en een tijd om toe te naaien; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken;
8Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.
9Wat voordeel15) heeft hij, die werkt, van hetgeen hij arbeidt?16)
10Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.
11Hij heeft ieder ding17) schoon gemaakt18) op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw19) in hun hart20) gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden,21) van het begin22) tot het einde toe.
12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is,23) dan zich te verblijden, en goed te doen24) in zijn leven.
13Ja ook, dat ieder mens ete en drinke,25) en het goede geniete26) van al zijn arbeid, Dit is een gave Gods.
14Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn,27) en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.
15Hetgeen geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is alrede geweest; en God zoekt28) het weggedrevene.
16Verder heb ik ook29) gezien onder de zon, ter plaatse30) des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.
17Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige31) en den goddeloze oordelen; want32) aldaar is de tijd33) voor alle voornemen, en over alle werk.
18Ik zeide in mijn hart van de positie34) der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren,35) en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
19Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart36) hun beiden; gelijk die sterft,37) alzo sterft deze,38) en zij allen39) hebben enerlei adem,40) en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen;41) want allen zijn zij ijdelheid.42)
20Zij gaan allen naar een plaats;43) zij zijn allen uit het stof44), en zij keren allen weder tot het stof.
21Wie merkt, dat de adem45) van de kinderen der mensen opvaart naar boven,46) en de adem der beesten nederwaarts vaart47) in de aarde?
22Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken,48) want dat is zijn deel;49) want wie zal hem50) daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?