1 2 3


1Wee der bloedstad,1) die gans vol leugen, en verscheuring is!2) de roof houdt niet op.3)
2Er is het geklap der zweep,4) en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen,5) en de wagens springen op.6)
3De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;7)
4Om der grote hoererijen8) wil der zeer bevallige hoer,9) der meesteres der toverijen,10) die met haar hoererijen11) volken verkocht heeft,12) en geslachten met haar toverijen.
5Ziet, Ik wil aan u,13) spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht,14) en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.
6En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen,15) en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.16)
7En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen:17) Nineve is verstoord,18) wie zal medelijden met haar hebben?19) Van waar zal ik u troosters zoeken?
8Zijt gij beter20) dan No,21) de volkrijke, gelegen in de rivieren?23) die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is,24) haar muur is25) van zee.26)
9Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde;27) Put en Lybea waren tot uw hulp.29)
10Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis;30) ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten31) verpletterd geworden;32) en over haar geeerden hebben zij33) het lot geworpen,34) en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.35)
11Ook zult gij36) dronken worden,37) gij zult u verbergen;38) ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.39)
12Al uw vastigheden zijn vijgebomen40) met de eerste vruchten;41) indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil.42)
13Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden;43) de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden;44) het vuur45) zal uw grendelen verteren.46)
14Schep u water ter belegering;47) versterk uw vastigheden; ga in de klei,48) en treed in het leem; verbeter den ticheloven.49)
15Het vuur zal u50) aldaar verteren;51) het zwaard zal u uitroeien,52) het zal u afeten, als de kevers,53) vermeerder u55) als sprinkhanen.56)
16Gij hebt meer handelaars,57) dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen,58) en er van vliegen.
17Uw gekroonden59) zijn als de sprinkhanen,60) en uw krijgsoversten61) als de grote kevers,62) die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen;63) wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg,64) alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.
18Uw herders65) zullen sluimeren,66) o koning van Assur! uw voortreffelijken67) zullen zich leggen,68) uw volk69) zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.70)
19Er is geen samentrekking voor uw breuk,71) uw plage is smartelijk;72) allen, die het gerucht van u horen,73) zullen de handen over u klappen;74) want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?75)