1)hoor naar mijn
3) laat Uw oren
 
2)gadeslaat; HEERE!
Versta hierbij: En die op het hoogste naar uwe rechtvaardigheid straffen wil.
 
3)wie zal bestaan?
Te weten, in uw oordeel. Alsof hij zeide: Nieumand.
 
4)gevreesd wordt.
Te weten, met een kinderlijke vreze. Allen, die vastelijk vertrouwen dat om Christus' wil hunne zonden vergeven zijn, beminnen God; en als goede kinderen vrezen zij Hem te vertoornen; Luk. 7:47.
 
5)Verwacht den HEERE;
De zin is: Omdat ik weet dat de Heere zo goedertieren is, daarom verwacht ik met een vast vertrouwen, dat Hij mij, naar zijne beloftenis, mijne zonden vergeven en mij uit alle ellenden verlossen zal.
 
6)ik hoop op Zijn Woord.
Dat is, ik wacht op hetgeen Hij in zijn woord allen gelovigen beloofd heeft en mij in het bijzonder.
 
7)Israël hope op
Alsof hij zeide: Gelijk ik, op den Heer wachtende, hulp en verlossing verkregen heb, zo doe ook Israël, dat is, de kerk Gods en alle godzaligen in het bijzonder. Anders: O Israël, hoop op den Heere.
 
8)want bij den HEERE
Dat is, want Hij verlost er velen van vele en grote zonden, door zijn grote en menigvuldige barmhartigheid.
 
9)Israël verlossen
Dat is, zijn volk Israël.