1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Och, dat Gij1) de hemelen scheurdet,2) dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;3)
2Gelijk een smeltvuur4) brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam5) aan Uw wederpartijders6) bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.
3Toen Gij7) vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder,8) van Uw aangezicht vervloten de bergen.
4Ja,9) van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog10) heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien,11) die op Hem wacht.12)
5Gij ontmoet13) den vrolijke,14) en die gerechtigheid doet dengenen,15) die Uwer gedenken op Uw wegen; zie, Gij waart verbolgen,16) omdat wij gezondigd hebben; in dezelve17) is de eeuwigheid, opdat wij18) behouden wierden.
6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.
7En er is niemand,19) die Uw Naam aanroept,20) die zich opwekt, dat hij U aangrijpe;21) want Gij verbergt22) Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel23) van onze ongerechtigheden.
8Doch nu, HEERE! Gij zijt24) onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker,25) en wij allen zijn Uwer handen werk.
9HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
10Uw heilige steden26) zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem27) een verwoesting.
11Ons heilig28) en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur29) verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden.
12HEERE! zoudt Gij U over deze dingen30) inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?32)