1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66


1Om1) Sions wil2) zal ik niet zwijgen,3) en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn;4) totdat haar gerechtigheid5) voortkome6) als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt.
2En de heidenen zullen uw gerechtigheid7) zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwen naam8) genoemd worden, welken des HEEREN mond uitdrukkelijk9) noemen zal.
3En gij zult10) een sierlijke kroon zijn in de hand11) des HEEREN, en een koninklijke12) hoed in de hand uws Gods.
4Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene,13) en tot uw land zal18) niet meer gezegd worden: Het verwoeste;14) maar gij zult genoemd worden: Mijn lust15) is aan haar! en uw land:16) Het getrouwde;17) want de HEERE heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden.
5Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen;19) en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God20) over u vrolijk zijn.
6O Jeruzalem!21) Ik heb wachters22) op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen.23) O gij,24) die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen25) bij ulieden wezen!
7En zwijgt niet stil voor Hem,26) totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof27) op aarde.
8De HEERE28) heeft gezworen bij Zijn rechterhand,29) en bij den arm30) Zijner sterkte: indien Ik31) uw koren32) meer zal geven tot spijs33) voor uw vijanden, en indien de vreemden34) zullen drinken uw most, waaraan gij gearbeid hebt!
9Maar die het inzamelen35) zullen, die zullen het eten, en zij zullen den HEERE prijzen; en die hem vergaderen36) zullen, zullen hem drinken in de voorhoven37) Mijns heiligdoms.
10Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg38) des volks; verhoogt, verhoogt een baan,39) ruimt de stenen40) weg, steekt41) een banier omhoog tot de volken!
11Ziet, de HEERE heeft doen horen,42) tot aan het einde der aarde: zegt de dochter van Sion:43) Zie, uw Heil komt;44) zie, Zijn loon is met Hem,45) en Zijn arbeidsloon46) is voor Zijn aangezicht.
12En zij zullen hen noemen47) het heilige volk,48) de verlosten49) des HEEREN; en gij zult50) genoemd worden de gezochte,51) de stad,52) die niet verlaten is.