1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52


1Maar het geschiedde in de zevende maand,1) dat Ismael, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijken zade,2) en de oversten des konings,3) te weten tien mannen,4) met hem kwamen tot Gedalia, den zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten aldaar brood te zamen,5) te Mizpa.
2En Ismael, de zoon van Nethanja, maakte zich op, mitsgaders de tien mannen, die met hem waren, en zij sloegen Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, met het zwaard; alzo doodde hij hem,6) dien de koning van Babel over het land gesteld had.
3Ook sloeg Ismael al de Joden, die met hem, namelijk met Gedalia, te Mizpa waren, en de Chaldeen, de krijgslieden, die aldaar gevonden werden.
4Het geschiedde nu op den tweeden dag, nadat hij Gedalia gedood had, en niemand het wist;7)
5Zo kwamen er lieden van Sichem,8) van Silo,9) en van Samaria,10) tachtig man, hebbende den baard afgeschoren, en de klederen gescheurd, en zichzelven gesneden;11) en spijsoffer en wierook waren in hun hand,12) om ten huize des HEEREN te brengen.
6En Ismael, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa hun tegemoet, al gaande en wenende;13) en het geschiedde, als hij hen aantrof dat hij zeide: Komt tot Gedalia, den zoon van Ahikam!
7Maar het geschiedde, als zij in het midden der stad gekomen waren, dat Ismael, de zoon van Nethanja, hen keelde, en wierp hen in het midden des kuils,15) hij en de mannen, die met hem waren.
8Doch onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismael zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honig. Zo liet hij af, en doodde ze niet in het midden hunner broederen.16)
9De kuil nu, waarin Ismael al de dode lichamen der mannen, die hij aan de zijde van Gedalia geslagen had,17) henenwierp, is dezelfde, dien de koning Asa maakte vanwege Baesa,18) den koning Israels; dezen vulde Ismael, de zoon van Nethanja, met de verslagenen.
10En Ismael voerde het ganse overblijfsel des volks, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten des konings dochteren,19) en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste der trawanten, aan Gedalia, den zoon van Ahikam, bevolen had; Ismael dan, den zoon van Nethanja, voerde ze gevankelijk weg, en toog henen, om over te gaan tot de kinderen Ammons.20)
11Toen nu Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten der heiren, die met hem waren, al het kwaad hoorden, dat Ismael, de zoon van Nethanja, gedaan had;
12Zo namen zij al de mannen,21) en togen henen, om met Ismael, den zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het grote water, dat bij Gibeon is.22)
13En het geschiedde, als het volk, dat met Ismael was, Johanan zag, den zoon van Kareah, en al de oversten der heiren, die met hem waren, zo werden zij verblijd.
14En al het volk, dat Ismael van Mizpa gevankelijk had weggevoerd, wendde zich om; en zij keerden zich en gingen over tot Johanan, den zoon van Kareah.
15Doch Ismael, de zoon van Nethanja, ontkwam van Johanans aangezicht, met acht mannen, en hij toog tot de kinderen Ammons.
16Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, mitsgaders al de oversten der heiren, die met hem waren, het ganse overblijfsel des volks, dat hij wedergebracht had van Ismael, den zoon van Nethanja, van Mizpa,23) (nadat hij Gedalia, den zoon van Ahikam, geslagen had) te weten de mannen,24) die krijgslieden waren, en de vrouwen, en kinderkens, en kamerlingen,25) die hij van Gibeon had wedergebracht;26)
17En zij togen henen, en sloegen zich neder27) te Geruth-Chimham,28) dat bij Bethlehem is, om voort te trekken, dat zij in Egypte kwamen.
18Voor het aangezicht der Chaldeen;29) want zij vreesden voor hunlieder aangezicht, omdat Ismael, de zoon van Nethanja, Gedalia, den zoon van Ahikam, geslagen had, dien de koning van Babel over het land gesteld had.