1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12


1Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Meder, om hem te versterken en te stijven.
2En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.
3Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.
4En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan deze.
5En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.
6Op het einde nu van sommige jaren,1) zullen zij zich met elkander bevrienden,2) en de dochter des konings van het Zuiden3) zal komen tot den koning van het Noorden,4) om billijke voorwaarden te maken;5) doch zij zal de macht des arms niet behouden,6) daarom zal hij, noch zijn arm,7) niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden,8) en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft,9) en die haar gesterkt heeft in die tijden.10)
7Doch uit de spruit van haar wortelen11) zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen,12) en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden,13) en hij zal tegen dezelve doen,14) en hij zal ze bemachtigen.
8Ook zal hij hun goden,15) met hun vorsten, met hun gewenste vaten16) van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven17) boven den koning van het Noorden.
9Alzo zal de koning van het Zuiden18) in het koninkrijk komen,19) en hij zal wederom20) in zijn land trekken.
10Doch zijn zonen21) zullen zich in strijd mengen,22) en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen23) zal snellijk komen,24) en als een vloed overstromen en doortrekken;25) en hij zal wederom komen,26) en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.27)
11En de koning van het Zuiden28) zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal,29) doch die menigte30) zal in zijn hand gegeven worden.
12Als die menigte31) zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen,32) en hij zal er enige tien duizenden nedervellen;33) evenwel zal hij niet gesterkt worden.34)
13Want de koning van het Noorden35) zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren,36) zal hij snellijk komen37) met een grote heirkracht, en met groot goed.
14Ook zullen er in die tijden velen opstaan38) tegen den koning van het Zuiden;39) en de scheurmakers uws volks40) zullen verheven worden,41) om het gezicht42) te bevestigen,43) doch zij zullen vallen.44)
15En de koning van het Noorden45) zal komen, en een wal opwerpen,46) en vaste steden innemen;47) en de armen van het Zuiden48) zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk,49) ja,50) er zal geen kracht zijn om te bestaan.
16Maar hij,51) die tegen hem komt,52) zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads,53) en de verderving zal in zijn hand wezen.54)
17En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen,55) en hij zal billijke voorwaarden medebrengen,56) en hij zal het doen;57) want hij zal hem58) een dochter der vrouwen geven,59) om haar te verderven,60) maar zij zal niet vast staan,61) en zij zal voor hem niet zijn.62)
18Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren,63) en hij zal er vele innemen; doch een overste64) zal zijn smaad65) tegen hem doen ophouden,66) behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.67)
19En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands,68) en hij zal aanstoten, en vallen,69) en niet gevonden worden.
20En in zijn staat70) zal er een opstaan,71) doende een geldeiser doortrekken,72) in koninklijke heerlijkheid;73) maar hij zal in enige dagen74) gebroken worden, nochtans niet door toornigheden,75) noch door oorlog.
21Daarna zal er een verachte76) in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven;77) doch hij zal in stilheid komen,78) en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.79)
22En de armen der overstroming80) zullen overstroomd worden81) van voor zijn aangezicht, en zij zullen verbroken worden, en ook de vorst des verbonds.82)
23En na de vereniging met hem83) zal hij bedrog plegen,84) en hij zal optrekken,85) en hij zal met weinig volks86) gesterkt worden.
24Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen,87) en hij zal doen,88) dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen,89) zal hij onder hen90) uitstrooien,91) en hij zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken,92) doch tot een zekeren tijd toe.93)
25En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden,94) met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen95) met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan,96) want zij zullen gedachten tegen hem denken.97)
26En die de stukken98) zijner spijze zullen eten,99) zullen hem breken,100) en de heirkracht deszelven zal overstromen,102) en vele verslagenen zullen vallen.103)
27En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; 105)en het zal niet gelukken,106) want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.107)
28En hij zal in zijn land wederkeren108) met groot goed,109) en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond;110) en hij zal het doen,111) en wederkeren in zijn land.112)
29Ter bestemder tijd113) zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen,114) doch het zal niet zijn gelijk de eerste,115) noch gelijk de laatste reize.
30Want er zullen schepen van Chittim116) tegen hem komen,117) daarom zal hij met smart bevangen worden,118) en hij zal wederkeren,119) en gram worden tegen het heilig verbond,120) en hij zal het doen;121) want wederkerende122) zal hij acht geven123) op de verlaters des heiligen verbonds.
31En er zullen armen124) uit hem ontstaan, 125)en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte,126) en zij zullen het gedurige offer wegnemen,127) en een verwoestenden gruwel128) stellen.129)
32En die goddelooslijk handelen130) tegen het verbond, zal hij doen huichelen131) door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen,132) zullen zij grijpen,133) en zullen het doen.134)
33En de leraars des volks135) zullen er velen onderwijzen,136) en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam,137) door gevangenis en door beroving, vele dagen.138)
34Als zij nu zullen vallen,139) zullen zij met een kleine hulp geholpen worden;140) doch velen zullen zich door vleierijen141) tot hen vervoegen.
35En van de leraars zullen er sommigen vallen,143) om hen te louteren en te reinigen,144) en wit te maken, tot den tijd van het einde toe;145) want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.146)
36En die koning147) zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God,148) en hij zal tegen den God der goden149) wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij,150) want het is vastelijk besloten,151) het zal geschieden.152)
37En op de goden zijner vaderen153) zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen;154) hij zal ook op geen God acht geven,155) maar hij zal zich boven alles groot maken.
38En hij zal den god Mauzzim156) in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben,157) zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.158)
39En hij zal de vastigheden159) der sterkten maken met den vreemden god; dengenen,160) die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen,161) en hij zal het land uitdelen om prijs.162)
40En op den tijd van het einde,163) zal de koning van het Zuiden164) tegen hem met hoornen stoten;165) en de koning van het Noorden166) zal tegen hem aanstormen,167) met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen168) en doortrekken.169)
41En hij zal komen in het land des sieraads,170) en vele landen171) zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen,172) Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.173)
42En hij zal zijn hand aan de landen leggen,174) ook zal het land van Egypte niet ontkomen.175)
43En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye,176) en de Moren zullen in zijn gangen wezen.177)
44Maar de geruchten van het Oosten178) en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.179)
45En hij zal de tenten180) van zijn paleis planten181) tussen de zeeen aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen,182) en zal geen helper hebben.